UCSIA
Prinsstraat 14
B-2000 Antwerpen
marijke.celis@ua.ac.be
Tel. +32 (0)3 265 49 60
Fax +32 (0)3 707 09 31
Bevolkingsverandering in Europa

Van 10 tot 11 mei 2012 organiseerde UCSIA in samenwerking met professoren van de Universiteit Antwerpen en de KU Leuven de academische workshop "Population Change and Europe: Thinking Beyond the Demographic Divide".

Klik hier om de fotogalerij te openen. Klik hier om de fotogalerij te openen. Klik hier om de fotogalerij te openen.

Bekijk de fotogalerij

Olivier Thévenon (econoom aan INED en OECD)

In zijn bijdrage besprak Olivier Thévenon de recente demografische bevindingen in West-Europese landen dat de vruchtbaarheidsgraad mogelijks weer zou toenemen. Verschillende factoren kunnen hierbij een rol spelen. In eerste instantie werd gekeken in hoeverre het herstel te maken had met het toenemende aantal zwangerschappen op latere leeftijd (30-34 en 35-39 jaar). Echter het uitstelgedrag van koppels blijkt maar een beperkte verklaringsgrond te hebben; en ook migratie en kunstmatige inseminatie hebben maar een beperkte rol. Het grootste effect op de vruchtbaarheid wordt gevonden in de betere economische situatie en voornamelijk de mogelijkheden van vrouwen om werk en familie te combineren. Landen met de hoogste vruchtbaarheidsgraad zijn ook de landen waar arbeidsparticipatie van vrouwen het hoogst is. Hoewel de meeste empirische studies aantonen dat dergelijk overheidsbeleid vooral een effect heeft op de periode waarin koppels kinderen krijgen en minder op het aantal kinderen, tonen recente studies ook aan dat de beschikbaarheid en kosten van kinderopvang een belangrijke impact hebben. Thévenon bevestigt met zijn studie de rol van het beleid op de directe en de alternatieve kosten van kinderen. Daarbij is een goede mix van belang, met aandacht voor financiële ondersteuning, betaald verlof en toegang tot kinderopvang.


Tomáš Sobotka (wetenschappelijk onderzoeker aan Vienna Institute of Demography)

Tomáš Sobotka onderzocht in zijn bijdrage de veranderende demografische ontwikkelingen in Centraal- en Oost-Europa. Tot 1989 kende de regio een grote uniformiteit in familie en reproductiepatronen. In de periode 1945-1970 is er een sterke convergentie wat betreft twee-kind-gezinnen, reproductie en familieregulering, uniforme levensstijl, vooruitgang in gezondheidszorg, etc. Vanaf het midden van de jaren zestig echter groeien de zorgen met betrekking tot een te laag geboortecijfer en neemt de overheid strenge pronatalism/pro-leven maatregelen, o.a. limitering van anticonceptiemiddelen, een celibaat-tax etc. Vanaf 1989 groeit de divergentie en wordt het steeds moeilijker om de regio als één geheel te bestuderen; ondanks gelijkaardige trends zoals het terugvallen van de vruchtbaarheidscijfers, het uitstelgedrag van koppels om kinderen te krijgen. De diverse familie en vruchtbaarheidspatronen zijn onder meer het gevolg van de verschillen in sociaal beleid (m.b.t. cohabitatie, vruchtbaarheid bij niet-gehuwden, eenoudergezinnen, abortus), de economische ontwikkeling en waarde-oriënteringen. Sinds het einde van de jaren tachtig komt hierbij nog een extra factor met de toenemende emigratie naar West-Europa. Hoewel dit in sommige landen wordt gecompenseerd door toenemende terugkeermigratie (Polen) en immigratie vanuit andere gebieden (Slovenië, Tsjechië, Hongarije), is de ontvolking zeer sterk in Oost en Zuid-Oost Europa.

Richard Cincotta (politiek demograaf bij het Stimson Center)

Als politiek demograaf ontwierp Richard Cincotta een leeftijd-structurele theorie van democratisering; op basis van de Freedom House-criteria bepaalde hij dat er 50% kans is dat landen zich ontwikkelen tot een liberale democratie wanneer de mediaanleeftijd in een land ongeveer 28,4 jaar oud is. Door deze berekening kan hij de verwachtingen en onzekerheden in kaart brengen m.b.t. aanhoudende politieke liberalisering en politieke onrust in regio's zoals Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Cincotta onderscheidt in zijn theorie vier types van bevolkingspiramides: een zeer jonge bevolking van 15-25 jaar oud (zoals Afghanistan), een tussenliggende bevolking van 25-35 jaar zoals in Tunesië, een volwassen bevolking van 35-45 jaar (VS) en een oude bevolking tussen 45-55 jaar oud (Duitsland). Door de daling in vruchtbaarheid komen de landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten meer en meer terecht in de tweede categorie, deze groep karakteriseert zich door de ‘youth bulge’ waarbij er steeds meer druk komt op de overheid om een aangepast beleid uit te werken voor onderwijs en werkgelegenheid. Wanneer deze landen antwoord kunnen bieden op de toenemende eisen van haar jonge bevolking, hebben ze later een demografische bonus (wanneer een land namelijk over een grote werkende bevolking beschikt die minder (of later) kinderen krijgt, leidt dit tot economische groei); indien niet dan neemt de politieke onrust toe. Cincotta’s methode valt echter te bekritiseren omdat hij andere factoren (zoals toenemende onderwijsgraad, de rol van migratie, de deelname van vrouwen aan de samenleving) buiten beschouwing houdt en zich enkel focust op de leeftijdsstructuur van een land.

Youssef Courbage (onderzoeker aan INED)

Volgens demograaf Youssef Courbage vormt onderwijs de wortel van de demografische transitie, het moderniseringsproces en de toenemende secularisering in de regio (hier gedefinieerd als toenemend seculier gedrag, zoals het zelf kiezen om kinderen te krijgen). De toegang van jongens en meisjes tot onderwijs heeft namelijk geleid tot een grotere graad van geletterdheid en toenemende individualisering (autonomie). Onderwijs van vrouwen heeft er verder voor gezorgd dat ze hun leven zelf meer willen controleren en dat anticonceptie meer en meer toegang vindt. De vruchtbaarheidscijfers dalen zo van gemiddeld 7,5 kinderen per vrouw tot 3 in enkele decennia; en hiermee samenhangend vermindert ook de invloed van het patriarchaat (omdat de kans dat er enkel meisjes geboren worden binnen gezin groter wordt).

Ronald Skeldon (professor aan School of Global Demography, University of Sussex)

Ronald Skeldon behandelde de thematiek van demografie en de Europese bevolking vanuit het migratieperspectief. Terwijl de veronderstelling heerst dat Europa een migratiecrisis kent waarbij veel te veel mensen uit het Zuiden naar de regio immigreren en de economie en culturele integriteit van Europa onder druk zetten, zou migratie – volgens Skeldon – wel eens op een andere manier een uitdaging voor de toekomst kunnen zijn. Vooral wanneer immigratie een belangrijke oplossing is om de problemen verbonden met een verouderende bevolking op te vangen. In plaats van een migratiebeleid uit te werken dat vertrekt van de nood aan arbeid, zou Europa meer werk moeten maken van een aantrekkelijk migratiebeleid waarbij migranten gewenst zijn en deel gaan vormen van het staatsdenken. Migratie en ontwikkeling gaan meer en meer hand in hand; en een beleid dat steunt op brain-drain en een onderscheid maakt tussen gewenste en ongewenste arbeid is daarbij niet de weg. Europa zou meer moeten inzetten op een positief beleid waarbij mensen als toekomstige burgers worden welkom geheten; zeker wanneer uit een onderzoek van “Price Waterhouse & Coopers” blijkt dat er in 2050 nog maar twee Europese landen in de lijst van meest aantrekkelijke migratielanden staat, terwijl China en India die nieuw aantrekkingspolen worden.

Besluit

Volgens Frans Willekens zijn er twee problemen waar demografisch onderzoek zich in de toekomst mee zou moeten bezighouden.

Eerst en vooral kunnen we ons afvragen in hoeverre het huwelijk nog relevant is om over veranderingen in vruchtbaarheid te spreken. Gezien de medische vooruitgang zijn er voor vrouwen tal van andere methodes om kinderen te krijgen. Ook de definiëring van wat een familie is, komt daarmee steeds meer ter discussie te staan. Uiteraard blijven koppels belangrijk voor de totstandbrenging van kinderen. De reden om te huwen is echter veel minder de vruchtbaarheid, dan wel de duurzame verbinding tussen twee personen.

Een aanvullende vraag is of een duurzame verbinding nodig is om samen kinderen te krijgen? Uit onderzoek blijkt in ieder geval dat getrouwde koppels zich meer inzetten voor hun huwelijk nadat ze kinderen hebben gekregen. Redenen hiervoor zouden kunnen zijn: hun verantwoordelijkheidsgevoel voor de kinderen, maar ook de economische schaalvoordelen, het gezelschap en het gemeenschappelijke sociale netwerk.

Daarnaast moet ook het migratieperspectief meer serieus genomen worden in demografisch onderzoek, ook al zijn demografen niet altijd bereid om te spreken over een migratietransitie in de demografie. Het is echter belangrijk om binnen de demografie stil te staan bij de vraag hoe mobiliteit een invloed heeft op fertiliteit en mortaliteit. Daarbij is het relevant om over allerlei vormen van mobiliteit te spreken (diverse ruimtelijke en tijdelijke vormen van mobiliteit in rekening worden genomen), want door toedoen van economische ontwikkeling en technologie verandert de permanente migratie en is er meer ruimte voor circulaire en tijdelijke migratie, transnationale connecties etc. 

Frans Willekens gaf ook de publieke lezing Global Geographic Trends and Change in Europe op woensdag 9 mei 2012 in het kader van deze workshop.

Deze workshop vormde basis voor het boek Population Change in Europe, the Middle-East and North Africa (Ashgate, 2015). 

Terug naar Solidariteit en identiteit in Europa