UCSIA
Prinsstraat 14
B-2000 Antwerpen
marijke.celis@ua.ac.be
Tel. +32 (0)3 265 49 60
Fax +32 (0)3 707 09 31
David B. Ruderman

David Ruderman, hoogleraar ‘Modern Jewish History’ aan de Universiteit van Pennsylvania, bekleedde voor de derde maal de leerstoel Joods-christelijke relaties die voor de negende keer georganiseerd werd door UCSIA i.s.m. het Instituut voor Joodse Studies van de Universiteit van Antwerpen. Hij lag dan ook mee aan de genese van de leerstoel en is er een fervent verdediger van, zoals hij in een interview met Tertio, gepubliceerd op 15 maart, toelichtte.

Op 22 februari nodigde David Ruderman Theo Dunkelgrun, postdoctoraal onderzoeker aan het Centre for Research in the Arts, Social Sciences and Humanities aan de universiteit van Cambridge, uit als gesprekspartner om het gedachtegoed van twee Joodse intellectuelen, -die goed vertrouwd waren met de christelijke traditie-, met name, de vader van de Oost-Europese Joodse verlichting, ISAAC BAER LEVINSOHN (1788 - 1860) en de vader van de moderne Joodse bibliografie, MORITZ STEINSCHNEIDER (1816 - 1907), met elkaar in dialoog te brengen. Beide intellectuelen ware nauw verwant met de Christelijke traditie.

In het interview dat David Ruderman gaf aan TERTIO benadrukt hij de paralellen tussen jezuïtische en joodse spiritualiteit. Hij vergelijkt de geestelijke oefeningen van Ignatius van Loyola met de kabbala en de betrachting om een nieuwe verfrissende invloed te hebben op de erfenis van de christelijke kerkvaders enerzijds en de Talmoedtraditie anderzijds. Hij juicht in die zin dan ook de Joods-christelijke academische dialoog die aan de Universiteit Antwerpen plaats heeft, enthousiast toe. Dit soort dialoog heeft hem als onderzoeker altijd geïntrigeerd en het getuigt ook van een groot respect om elkaars tradities te willen doorgronden.

De lezing van 22 februari illustreerde dit.

Lutherse missioneringsdrang in Oost-Europa, waarvan Alexander McCaul (1799-1863), die het onderwerp vormde van de eerste lezing van David Ruderman op 16 februari, een toonbeeld was, zette de Joodse gemeenschap aan om haar positie te bepalen. Zo schreef (de self-made intellectueel) Levinsohn een Luthers-Joodse dialoog als aanleiding om de kwalificaties van een rabbijns geleerde te definiëren, het nut van zulke (emotionele) dialogen in twijfel te trekken, de betrekkelijkheid van religieuze teksten aan te tonen, het moreel verval op familiaal vlak van de christenen te hekelen (waarbij hij een onderscheid maakte tussen de elite en lagere maatschappelijke klassen). Hierbij getuigt hij van inzicht in de intra-religieuze verschillen binnen het christendom. Via deze polemiek, een bron aan informatie over de moderne rabbijnse cultuur, bouwt hij ook bruggen tussen jodendom en christendom. Hij verdedigt en bekritiseert het rabbijnse jodendom (daar waar het obstakel tot modernisering vormt) en valt het christendom op bepaalde punten aan en verdedigt het op andere (zo getuigt hij van een groot respect voor de christelijke elite). Hij neemt een genuanceerde houding aan tegenover zowel het jodendom als het christendom.

Theo Dunkelgrün geraakte, tijdens zijn onderzoek naar de Antwerpse polyglotbijbel in het Plantin- Moretus museum, geboeid door de figuur van Moritz Steinschneider, een orientalist uit Moravia die in Wenen werkte. In zijn studie naar Hebreeuwse bronnen ontdekte hij de encyclopedieën die Steinschneider samenstelde. Deze was niet geïnteresseerd in polemische dialoog maar verzamelde allerlei wetenschappelijke feiten over het jodendom. Zijn, in het Engels vertaalde, compilaties van Joodse literatuur, met inbegrip van Arabische overleveringen uit diasporaculturen, liggen ten grondslag aan de Westerse kennis over het onderwerp. Hij hield alle bijdragen over Joodse publicaties, in alle genres, geschreven door Joden en niet-Joden, bij en dit vormt de basis van bibliotheekverzamelingen in Leiden, Berlijn en Oxford. Alhoewel hij zelf geen academische functie heeft bekleed tijdens zijn leven, vormt zijn opzoekwerk de basis van hedendaagse Joods onderzoek. Zijn adagio luidde dat er voor de geest geen getto bestaat en dat ook seculiere westerse universiteiten zich aan Joodse studies moeten wijden. Twintig jaar of twee generaties scheiden Levinsohn en Steinschneider en ze leefden aan de andere kant van Europa, maar toch betrachtten ze beiden een vorm van Joodse emancipatie en waren ze zich bewust van de beperkingen van de Joodse verlichting nadat de hoop van de Joden om deel uit te maken van de algemene cultuur in de bodem werd geslagen met de revolutie van 1848. Zij waren universele geesten met aandacht voor het particuliere.

Zowel Levinsohn als Steinschneider zijn tragische geleerden die de idealen van de universiteit nastreefden zonder er ooit toe te behoren en onderzoekinstrumenten hebben aangereikt voor de volgende generaties.

Meer informatie: www.uantwerpen.be/ijs

Terug naar Leerstoel UCSIA-IJS