Tolerance from a Religious Perspective

IMG_0818.jpg

IMG_0814.jpg

IMG_0821.jpg

In de derde lezing van 18 november 2009 in de reeks over tolerantie kwam Susan Mendus, professor politieke filosofie van de universiteit van York, aan het woord over tolerantie vanuit een religieus perspectief. Zij beargumenteerde de stelling dat de historische evolutie van het liberalisme maakt dat wij niet meer kunnen bevatten dat aan gewelddaden gepleegd op religieuze gronden, zoals bij de aanval op het World Trade Centre in New York van 9/11, intrinsiek religieuze motieven ten grondslag liggen. Filosoof Guy Vanheeswijck van UA verzorgde een respons op haar lezing.

Susan Mendus verbaast er zich over dat in de (academische) analyse van 9/11 allerlei beweegredenen worden aangebracht van strategisch-politieke aard (zie Juergensmeyer, Ignatieff en Goodin) en dat de religieuze verantwoording die door de daders zelf wordt ingebracht, niet eens in overweging wordt genomen. Zij wijt het aan een historisch gegroeid begrip van pluralisme, als onverenigbaarheid van morele standpunten en onvermijdelijkheid van conflict, dat het moderne liberalisme blind, doof en stom is geworden voor religieuze argumenten. De geschiedenis, in se de opkomst van het protestantisme, leert ons dat een streven naar de waarheid (universeel geldend op grond van een transcendentale inspiratie voor een compromisloos gemeenschappelijk goed), politici heeft aangesproken om voor het heil van hun onderdanen ook op wereldlijk vlak te streven naar hun redding. Het was dit exclusieve heilsgeloof dat tot religieus geweld heeft geleid. In reactie hiertegen ontstond de idee van liberale tolerantie, gebaseerd op gewetensvrijheid en compromis. Zo groeide de overtuiging dat onenigheid over de hoogste morele idealen onvermijdelijk (en onberedeneerbaar/ onbespreekbaar) is en dat dit pluralisme moet worden geaccommodeerd om bloedvergieten te vermijden. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een scheiding van kerk en staat. De liberale staat zag zich genoopt afstand te nemen van de religieuze sfeer om de politieke vrede te bewaren. Liberale theoretici baseerden zich op het consensus argument ter verantwoording van de politieke orde en sloten de mogelijkheid van metafysische, theologische of morele verantwoording uit. Daar waar Locke nog geloofde in een mogelijke consensus tussen mensen met tegengestelde morele en religieuze wereldbeelden, sloot Rawls dit uit en beschouwde hij de liberale staat als de neutrale arbiter die zich boven deze morele tegenstellingen plaatst. Het gevolg is dat liberale politici moeilijkheden ondervinden om te duiden waarom het politieke voorrang geniet op het religieuze. Het ontbreekt hen aan het juiste vocabularium om dit aan gelovige burgers duidelijk te maken. Daar waar Locke, die tolerantie zag als een vereiste van God, nog wel over het discours beschikte om deze boodschap op gelovigen over te brengen, kan het pluralisme van Rawls, dat een kosmische harmonie uitsluit, mensen van religieus temperament niet aanspreken. Geworteld in deze laatste traditie blijft het moderne liberalisme stom in het aanschijn van religieus-morele motieven voor gewelddaden zoals die van 9/11. Is het niet wat optimistisch om te veronderstellen dat kwesties van (on)rechtvaardigheid kunnen worden beslecht zonder te refereren naar de uiteenlopende concepties van mensen over het goede en hun diverse morele gronden? Modern liberalisme neemt deze morele verschillen onvoldoende serieus en kan geen antwoord bieden op religieus-geïnspireerde oppositie. Zou het kunnen dat, net zoals religieus fanatisme in de 16de-17de eeuw aanleiding gaf tot conflict en de baan effende voor tolerantie, het huidige religieuze fanatisme ons opnieuw de weg moet wijzen? 

Guy Vanheeswijck reageert op deze uiteenzetting met de volgende bedenkingen. Hij geeft Susan Mendus gelijk in het feit dat het moderne liberalisme de discussie over de spanning tussen religie en moderniteit ontwijkt; het is zuiver politiek en laat geen metafysische overwegingen toe; het stelt, het beargumenteert niet en plaatst de politieke sfeer boven alle discussie. Zelf vindt hij dat gelovig zijn niet incompatibel is met andere morele overtuigingen; men kan geloven in God en tegelijkertijd liberaal zijn. Hij haalt Charles Taylor aan die stelt dat de band van monotheïstische geloofsovertuigingen met vrede en geweld ambigu is. Geweld is geen inherente eigenschap van religie maar het is er niet van uitgesloten. Volgens Hume is religie verbonden met dood, dus ook met geweld. Religie en geweld zijn geen elkaar uitsluitende alternatieven, maar sommige vormen van transcendentie lenen er zich toe om geweld te overstijgen (Nietsche’s notie van transcendentie bevordert geweld, de christelijke notie beteugelt het). Hij verwijst naar Gauchet’s stelling dat religie de baan effende voor de uittocht van religie. Er is reeds een element van moderne ‘ont-tovering’ (disenchantment) in religie zelf. Er is nood aan een debat tussen verlichting en religie.

 
Inhoudsverantwoordelijke: geert.vanhaverbeke