Tolerance and Freedom of Expression

IMG_1976.jpg

IMG_1974.jpg

IMG_1978.jpg

Dertig toehoorders woonden de vierde lezing in de UCSIA cyclus over de Paradox van Tolerantie op 9 december bij. Gastspreker Glen Newey, van de School voor Politiek, Internationale Betrekkingen en Filosofie, Keele University, UK, gaf een lezing over tolerantie en vrije meningsuiting, waarop Jogchum Vrielink, onderzoeker in de juridische antropologie aan de K.U.Leuven, een respons formuleerde.

Newey begon zijn uiteenzetting met de stelling dat men ervan uitgaat dat het respect voor vrije meningsuiting voortkomt uit tolerantie, maar stelt dat het omgekeerd is; tolerantie komt voort uit een engagement voor vrije meningsuiting. Het recht tot vrije meningsuiting is de weigering om iemand het woord of de mogelijkheid om gehoord te worden te ontnemen. Tolerantie bestaat erin, om op principiële gronden, toe te laten wat men afkeurt. Dit geldt ook voor het uiten van een mening.
 
Zoals vrije meningsuiting onderhevig is aan censuur, is het ook voorwerp van bescherming. Men kan bezwaren hebben tegen de inhoud (wat wordt geuit, zoals in het geval van de ontkenning van de Holocaust), de wijze (hoe het wordt geuit, zoals bij de veroordeling van Robert Cohen die zijn protest tegen de oorlog in Vietnam uitte via het opschrift op zijn vest ‘Fuck the draft’), de persoon (wie het zegt, zoals in het geval van de Britse neo-fascistische politieke leider, Neil Griffith wiens optreden op televisie werd gecontesteerd) en de context (waar en wanneer het wordt gezegd, zoals de veroordeling van iemand die ‘Brand’ roept in een volle theaterzaal). Vrije meningsuiting is erop gericht een of meerdere van deze beperkingen op te heffen.
 
Daar waar geen ander recht als het recht op vrije meningsuiting zo unaniem wordt gesanctioneerd, is geen recht sterker onderhevig aan (zelf)censuur. Beperkingen komen reeds voort uit de aard van het communicatiemedium zelf en de rolverdeling tussen communicatiepartners in verschillende socio- linguïstische contexten. Censuur belemmert de eerste doelstelling van vrije meningsuiting, namelijk communicatie.
 
Vrije meningsuiting is in essentie communicatie en als dusdanig in verband te brengen met vrijheid van vereniging. De vrijheid van vereniging garandeert de vrijheid op vrije meningsuiting en vormt er tevens de noodzakelijke voorwaarde van. Er mogen geen beperkingen worden opgelegd aan de voorwaarden waarop individuen besluiten om hun ‘agency’ te bundelen.
 
Een specifiek probleem dat deze vrijheden ondergraaft is de leugen. Individuen kunnen geen associatie aangaan op voorwaarden die gebaseerd zijn op leugens. Glen Newey illustreert dit aan de hand van de Amerikaanse rechtszaak Nike versus Kasky uit 2003, waarin Nike’s vertekende voorstelling van de werkomstandigheden van haar Zuid-Aziatische werknemers door de tegenpartij als competitievervalsing (t.a.v. de markt van ethische consumenten) werd aangeklaagd. Nike verdedigde zich op basis van het ‘First Amendment’. Deze zaak draaide dus in feite om het recht om te liegen als een recht van vrije meningsuiting. Is het toegelaten te doen/ te zeggen wat fout is? Tolerantie lijkt dit aanvaardbaar te maken …
 
In zijn respons vraagt Jogchum Vrielink, onderzoeker in de juridische antropologie aan de  K.U.Leuven aan Glen Newey in hoeverre (juridische) beperkingen kunnen/mogen worden opgelegd aan uitingen van haat tegen anderen? Hij deed onderzoek naar de effecten van de Belgische anti-discriminatiewetgeving. Deze is gebaseerd op de antiracisme wetgeving van 1981 en de Holocaustnegatie wetgeving van 1995. Hij onderzocht de effecten van deze juridische instrumenten in het voorkomen/ remediëren van overtredingen. Hierbij onderscheidt hij drie groepen: overtuigde overtreders, activisten en incidentele overtreders. Enkel bij de laatste groep heeft de wetgeving ontradend effect, bij de twee eerste groepen wordt het aangegrepen als middel om de aandacht van de media op hun standpunten te vestigen.

 
Inhoudsverantwoordelijke: geert.vanhaverbeke